vrije liefde

de liefde was ontsnapt
vanuit de strak omsloten wei
waarin men haar liet grazen
 
het hele dorp trok er op uit
om de liefde terug te krijgen
het ging er hard aan toe
 
verbeten kweten zij hun taak
want wie de liefde vangen zou
zou op handen straks gedragen

stompend duwend krabbend
werkte zich iedereen naar voren
slechts één kon er de vanger zijn

aan het einde van de dag
rolde er een kluwe mensen 
vechtend door de straten

de liefde dacht vanuit haar wei
waarin ze zelf was teruggekeerd
had mij toch vrij gelaten

één moment

 de vrije wil zat in zijn cel
 geketend aan de muur
 stalen banden
 omklemden zijn polsen
 
 buiten floot de merel
 terwijl de zon iets uit verband
 tralies schaduwde
 op de vloer
 
 Moet en Magniet
 cipierden waakzaam
 voor de zware houten deur
 zo was hen opgedragen
 
 “Waarom staan we hier?”,
 vroeg Moet
 “Moet!”, zei Magniet
 
 “Kunnen we niet weg?”,
 vroeg Magniet
 “Magniet!” zei Moet
 
 ze keken naar elkaar 
 en naar de deur
 heel even
 stopte de merel met fluiten
 
 was de gang verlaten
 toen hij zijn lied hervatte
 knipoogde de zon
 naar de losse ketens op de vloer