één moment

 de vrije wil zat in zijn cel
 geketend aan de muur
 stalen banden
 omklemden zijn polsen
 
 buiten floot de merel
 terwijl de zon iets uit verband
 tralies schaduwde
 op de vloer
 
 Moet en Magniet
 cipierden waakzaam
 voor de zware houten deur
 zo was hen opgedragen
 
 “Waarom staan we hier?”,
 vroeg Moet
 “Moet!”, zei Magniet
 
 “Kunnen we niet weg?”,
 vroeg Magniet
 “Magniet!” zei Moet
 
 ze keken naar elkaar 
 en naar de deur
 heel even
 stopte de merel met fluiten
 
 was de gang verlaten
 toen hij zijn lied hervatte
 knipoogde de zon
 naar de losse ketens op de vloer